maandag 17 oktober 2011

Samuel van Zeehofje


Het Samuel de Zeehofje in Leiden

Hoewel schrijnende armoede - zoals in de achttiende en negentiende eeuw - tegenwoordig bijna niet meer voorkomt is het goed te weten dat het Samuel de Zeehofje er nog is.
Mijn voorvader Jacobus Weijers is molenaar in Zoeterwoude geweest en in 1855, als hij 65 jaar oud is, wordt het hem toegestaan huisje nummer zes te betrekken in dit hofje. Zijn oudtante, Willemijntje Montanje, heeft eveneens in het hofje gewoond.
Jacobus woonde in ieder geval tot zijn overlijden in 1870 in het Samuel de Zeehofje aan de Doezastraat 18.
Samuel de Zee bepaalde in 1724 bij testament dat de tien huizen, die hij op de plaats van een vroegere kaatsbaan liet bouwen, bewoond moesten worden door arme familieleden. Mochten deze er niet zijn, dan bestemde hij ze voor behoeftige alleenstaande vrouwen of weduwen, die tot de hervormde kerk behoorden. Zowel boven de ingangspoort aan de Doezastraat als boven de poort aan het einde van de lange toegang zijn gedenkstenen met teksten aangebracht. Het hofje zelf bestaat uit twee gedeelten, van elkaar gescheiden door een oorspronkelijk als catechisatieruimte en regentenkamer gebouwd lokaal uit 1743 en met elkaar verbonden door twee poortjes, waarbij het rechterpoortje pas bij de restauratie in 1981 tot stand kwam. In beide delen staan de huizen rond een vierkante tuin. De woningen in het achterste gedeelte zijn iets kleiner; de vensters zijn voorzien van luiken en de bovenlichten bestaan uit kleine klapvensters. Deze huisjes stonden er al en werden in 1743 aan het hofje toegevoegd.
Bronnen: Architectuur en monumentengids Leiden onder redaktie van Jan Dröge c.s.;
Bevolkingsregister Leiden 1854-1861 folio 136

zondag 30 januari 2011



Roomsch Pieter Hagemans Smitsknegt Jongman
van Halderen, in 't Cleefsland wonende op 't
Nieuw Levendaal
met
Gereform. Geertruij Silon Jonged: van Leijden
wonende op 't Nieuw Levendaal
Ingevolge het Placcaat van de Ed: Groot
Mog: Heeren Staaten van Holland
en Westvriesland, in dato den 24e
January 1755 zullen de Huwelijks Pro=
clamatien van de bovenstaande personen
moeten gaan van ses weeken tot ses
weeken, zodanig dat de voltrekking
van het zelve Huwelijk mede eerst
ses weeken, na de derde proclamatie
zal mogen geschieden
1e geboden den 4 Jany 1767
2e geboden den 15 Feby 1767
3e geboden den 29 Maart 1767
Mogen trouwen den 30 Meij 1767
alhier getrouwt den 10 Meij 1767
Bron: Leiden Nederl.Herv. Ondertr. (1575-1795) fol.SS-259v

Over het algemeen wordt er in mijn familie voornamelijk binnen dezelfde kerkelijke stroming getrouwd, vooral in de achttiende eeuw. Een uitzondering vormt bovengenoemde voorvader Pieter Hagemans, die voor zijn huwelijk "Roomsch" is en dan treedt in die jaren - we praten over 1767 - het zogenaamde "Placaat van de Staaten van Holland, raakende de Huwelyken tusschen Gereformeerden en Roomschgezinden. Den 24. January 1755" in werking. Het Placcaat luidt als volgt:

De Staaten van Holland en Westvriesland; Allen den genen die deesen zullen zien of hooren, salut: Doen te weeten: Alsoo wy niets meer ter harte neemen als de conservatie en vermeerdering van de waare Gereformeerde Religie, en zoo veel in ons is willen voorsien, dat deselve geen inbreuk of nadeel koome te lyden, en wy egter tot ons leedweesen verneemen, als of het voor een indifferente zaak zoude kunnen werden aangesien, dat Persoonen van de Gereformeerde Religie zig in Huwelyk begeeven met de Roomsche Religie, waar uit in het vervolg een indifferentie van Religie meer en meer te vreesen is, buyten dat uit zoodanige Huwelyken niet alleen veele twisten en oneenigheeden tusschen zoodanige Egtgenooten, derselver Kinderen en Huysgezinnen ontstaan, maar waar door ook komt te gebeuren, dat eenige, zoo niet alle de Kinderen, uit zoodanige Huwelyken gebooren, in de Roomsche Religie worden opgevoed, ja dat zelfs zulke Gereformeerde Egtgenooten door lastige aanhoudingen en vexatien van haar Roomschgesinde Mans of Vrouwen, en derselver aanhang, worden gepermoveert en verleid, om tot openbaare ergenisse, de waare Gereformeerde Religie te verlaaten, en zig te begeeven tot de Roomsche Religie.

ZOO IS 'T, dat wy met communicatie en overleg van haare Koninglyke Hoogheid de Vrouwe Gouvernante, na ingenoomen advis van den Præsident en Raaden van onsen Hove, willende voorkoomen, dat onse goede Ingezeeteten door jonkheid van jaaren, onbesonnen driften, verkeerde insigten, en zonder overweeging van de beklaaglyke en verderffelyke gevolgen van de voorschreeve Huwelyken, zoo voor het eeuwige als tydelyke, tot het aangaan van deselve worden verleid, en inteegendeel aan de zulken die daar toe reeds een voorneemen mogten hebben, of in eenige zoodanige Huwelyks- of Trouwbeloften zyn ingewikkeld, de tyd en geleegenheid willende geeven om te luisteren na goede raadgeevingen, en van het voltrekken van die voorneemens of engagementen af te zien, goedgevonden hebben te statueeren en vast te stellen, zoo als wy statueeren en vaststellen by deese:

Eerstelyk, dat (inhereerende onse Resolutie van den 21 Mey 1737. ten respecte van Militaire Officieren ter repartitie van deese Provincie genoomen) die geene, dewelke voortaan Vrouwen van de Roomsche Religie zullen trouwen, niet zullen moogen worden aangesteld tot eenige Ampten of Bedieningen, maar eeven als de Roomschgesinden, daar van zullen zyn geëxcludeert, en dat niet alleen die geene, dewelke eenige Ampten of Bedieningen besitten, en de Roomsche Religie zullen aanneemen, maar ook die geene, dewelke zig in Huwelyk begeeven met Vrouwen van de Roomsche Religie, met er daad zullen weesen vervallen van de Ampten en Bedieningen, welke zy bekleeden, en dat die Ampten en Bedieningen daar door zullen zyn vacant en impetrabel.

Ten tweede, dat aan geene Persoonen van de waare Gereformeerde Religie, of daar in opgevoed, van wat staat zy zouden mogen zyn, eenige Huwelyksgeboden met Persoonen van de Roomsche Religie, het zy met of zonder consent van Ouders, Groot-Ouders of Voogden, zullen moogen werden gegunt, zoo lang deselve, het zy Mans- of Vrouwspersoonen, den ouderdom van vyf en twintig jaaren niet volkoomen zullen hebben vervult, waar van by exhibitie uyt de Doop-Registers of andere valabele bewysen aan die geene die de Huwelyksgeboden inschryven, zal moeten blyken, ten waare oogschynelyk genoeg te zien was, dat deselve meer als den voorsz. ouderdom hebben bereikt; als meede niet aan eenige Persoonen den ouderdom van vyf en twintig of meer jaaren (zonder onderscheid of deselve Persoonen reeds in eerder Huwelyk mogen zyn getrouwt geweest dan niet) hebben bereikt, zonder consent van Ouders, of een van beide, Grootvaders en Grootmoeders, of eenige of een van deselve, voor zoo verre die in leeven zyn, op poene in voorschreeven beide gevallen, dat de Huwelyken, contrarie aangegaan, zullen zyn onbestaanbaar, en de Kinderen daar uit gebooren onwettig, zonder ooit dan om groote bysondere en dringende reedenen, die ons daartoe zouden mogen moveeren, gelegitimeert te kunnen worden.

Ten derden, dat alle Trouwbeloften tusschen de voornoemde Persoonen, van wat jaaren zy zouden mogen zyn, het zy mondeling of ook schriftelyk, reeds gegeeven of nog te geeven, zullen zyn absolut kragteloos en zonder effect, en dat het dienvolgende aan alle de voornoemde Persoonen ten weederzyden zal vrystaan om ten allen tyde, niet alleen voor het aanteekenen van de Huwelyks-Proclamatien, maar zelfs na dat die reeds zouden mogen zyn gegaan, van de voorschreeve Trouwbeloften te resilieeren en af te gaan, zonder dat het aan eenig Regter gepermitteert zal zyn op de voorschreve Trouwbeloften regt te doen, veel min iemand tot het nakomen van zoodanige Trouwbeloften te constringeeren.

Ten vierden, dat tusschen de voorschreeve Gereformeerde Persoonen en die van de Roomsche Religie, met welke zy in Huwelyk zullen treeden, als was het schoon met consent van Ouders of Groot-Ouders, geen gemeenschap van Goederen plaats zal hebben, gelyk zy ook ten geenen tyde van den anderen uit de voorschreeve Goederen zullen moogen neemen of heffen eenige Douarie, Lyftogt of andere Gaven, het zy uit kragte van eenige Huwelyks-Voorwaarden, by Testamente, gifte, overdragte, cessie of anders, in wat maniere het zoude mogen weesen.

Ten vyfden, dat aan de Kinderen uit voorsz. Huwelyken gebooren, en dewelke in de Roomsche Religie zullen worden of weesen opgevoed en de Roomsche Religie belyden, geen preferentie zal mogen worden gegeeven boven de Kinderen in de Gereformeerde of Protestantsche Religie opgevoed of die deselve belyden, het zy by Testament, Codicille, Donantie, Contract, of op eenige andere wyse, hoe genaamt, maar dat zoodanige Dispositien of Contracten zullen weesen nul en van geender waarde, ten waare de Ouders daar toe mogten hebben wettige en suffisante reedenen, dewelke met kennisse van zaaken door den Regter zullen moeten werden geëxamineert en gedecideert, en voor zoo verre t'eeniger tyd zouden mogen werden ontdekt, dat contrarie deeses iets zoude mogen weesen genooten of geprofiteert, dat het zelve met een alterum tantum of verdubbelde waarde zal moeten worden gerestituteert en voldaan.

Ten zesden, dat de Huwelyks-Proclamatien van de voorschreeve Persoonen booven de vyf en twintig jaaren oud zynde, in plaats van te gaan van week tot week, zullen moeten gaan van zes weeken tot zes weeken, zoodanig dat de voltrekking van het Huwelyk zelve meede eerst zes weeken na de derde Proclamatie zal mogen geschieden, op gelyke poene, zoo ten aanzien der voorschreeve Proclamatien, als van een daar op gevolgt Huwelyk, als hier voor in het tweede Articul is gestatueert, en dat by het afleesen der Geboden zal moeten werden gedenuncieert, dat dezelve van zes tot zes weeken geschieden uit kragte van dit ons Placaat.

En dewyl wy bedugt zyn, dat onse goede intentie zoude kunnen worden geëludeert door zoodanige Gereformeerden, die, om met Roomschgezinden te trouwen, zoo verre zig zouden laaten verleyden, om voor het aanteekenen der Geboden, tot het Roomsche Geloof of eenige andere Gezintheyd over te gaan, ten einde dus niet onderheevig te zyn aan het geen hier voor is gestatueert, zoo willen en beveelen wy nog, dat aan geene Persoonen, van wat jaaren of staat zy zouden mogen zyn, die de waare Gereformeerde Religie beleeden hebbende of dezelve toegedaan of daar in opgevoed zynde, dezelve zullen hebben verlaaten en tot de Roomsche Religie of eenige andere Gezintheid zullen zyn overgegaan, en vervolgens met Persoonen van de Roomsche Religie zig in Huwelyk zouden willen begeeven, eenige Huwelyksgeboden met Roomschgezinden zullen mogen werden gegunt, dan na verloop van een jaar, na dat zy de Gereformeerde Godsdienst verzaakt, en van het Roomsche Geloof of van dat van eenige andere Gezintheid professie gedaan zullen hebben gehad, waar van zy behoorlyk en vokldoende bewys zullen moeten vertoonen aan die geenen door welke de Geboden aangeteekent worden, meede op de poene by het voorgaande tweede Articul gemelt; en dat daarenboven in zoodanige Huwelyken meede plaats zal hebben al het geen in de hier voorgemelde Articulen is gestatueert, even als of de voorschreeve Persoonen de Gereformeerde Religie niet hadden verlaaten.

En alzoo het insgelyks tot verydeling van onse salutaire intentie zoude kunnen gebeuren, dat Roomschgezinden zoo verre zouden gaan, van in uyterlyke schyn haar Religie te verlaaten, en tot de Gereformeerde over te gaan, ten einde met een Persoon van deselve Religie te kunnen trouwen, zonder aan het voorschrift van dit Placaat gehouden te zyn, dog met intentie om na het voltrokken Huwelyk tot het Roomsche Geloof weeder te keeren, zoo is laatstelyk onse wille, dat in zoodanigen geval, tot voorkomoing van het zelve, omtrent Persoonen van de Roomsche tot de Gereformeerde Religie overgegaan, en met iemand van de zelve Religie willende trouwen, meede zal plaayts hebben al het geen hier voor ten reguarde van Gereformeerden tot het Roomsche Geloof overgaande, is gestatueert.

En worden alle Magitraaten, Commissarissen van Huwelyks-zaaken, Kerkenraaden, en Predikanten, door welke de inschryvinge der Geboden gedaan en de Trouw gesolemniseert word, respectivelyk gelast, nauwkeurig te letten en zorge te draagen, dat dit ons Placaat behoorlyk en exactelyk in alle deelen nagekoomen worde.

En ten einde niemand hier van eenige ignorantie koome te pretendeeren, lasten en beveelen wy, dat deese alomme zal worden gepubliceert en geaffigeert, daar zulks behoord en te geschieden gebruykelyk is; lastende ook alle Regteren, den Procureur Generaal van onsen Hove, en alle Officieren deeser Provincie, deesen onsen Placaat na te koomen en te doen nakoomen, procedeerende teegens de Contraveneurs zonder eenige oogluykinge of dissimulatie, want wy zulks voor den dienst van den Lande, en ten besten van onse goede Ingezeetenen, bevonden hebben te behooren.

Gedaan in den Hage onder het klein Zeegel van den Lande den 24 January 1755

(Onderstond)

Ter Ordonnantie van de Staaten

(Was geteekent,)

C. BOEY
Bron: http://de-wit.net/bronnen/histo/plakkaat_huwelijk-gereformeerd-roomsgezind_holland_1755.htm

zondag 12 september 2010


HET LOEWENDENK-
MAL IN LUZERN



Onlangs trof ik in het oude familiefotoalbum van mijn ouders zwart-witfoto’s aan van een botenhuis in het Vierwoudsteden-
meer in Zwitserland, dat tot mijn verrassing eveneens door mijzelf in 2007 is gefotografeerd. Nieuwsgierig geworden bladerde ik verder door de serie uit die omgeving en vond een afbeelding van een gedenkteken in de vorm van een leeuw, uitgehouwen in steen. In de rots waren letters uitgebeiteld in het Latijn en omdat ik die taal niet machtig ben heeft een lerares één en ander vertaald. Bij het googlen van de eerste zin – Helvetiorum Fidei ac virtuti – stuitte ik al dadelijk op het Loewendenkmal in Luzern, Zwitserland.


Het opschrift luidt als volgt:

HELVETIORUM FIDEI AC VIRTUTI
[Aan de trouw en moed van de Zwitsers]

DIE X AUGUSTI II ET III SEPTEMBRIS MDCCXCII
[Op 10 augustus 2 en 3 september 1792]

HAEC SUNT NOMINA EORUM QUI NE SACRAMENTI FIDEM FALLERENT
[dit zijn de namen van hen die, opdat ze niet de trouw van het sacrament schonden]

FORTISSIME PUGNANTES CECIDERUNT --- SOLERTI AMICORUM CURA CLADI SUPERFUERUNT
[dapper strijdend zijn gevallen]---[door de vindingrijke zorg van hun vrienden overleefden de nederlaag]

DUCES XXVI--- DUCES XVI
[26 officieren]--- [16 officieren]
[namen]--- [namen]

MILITES CIRCITER DCCLX--- MILITES CIRCITER CCCL
[ongeveer 760 soldaten]--- [ongeveer 350 soldaten]

HUIUS REI GESTAE CIVES AERE COLLATO PERRENNE MONUMENTUM POSUERE
[Ter nagedachtenis aan deze krijgsdaad hebben de burgers dit duurzaam monument opgericht, nadat ze geld hadden ingezameld]


Het gedenkteken ontstond op initiatief van de officier Carl Pfyffer von Altishofen, die op vakantie in Luzern was en begon in 1818 met de inzameling van de benodigde gelden. Lukas Ahorn uit Konstanz heeft het ontwerp van de Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen uit de voormalige zandsteenmijn uitgehakt.
Het monument herinnert in de vorm van een allegorie van een stervende leeuw aan de gevallen soldaten van de Zwitserse Garde bij de bestorming van de Tuilerieën in Parijs in 1792.
Destijds waren zo’n 1.100 soldaten van de garde in Parijs om als lijfwacht voor Lodewijk XVI te dienen. Deze was op 6 oktober 1789 gedwongen met zijn familie van Versailles naar het palies aan de Tuilerieën te verhuizen. In juni 1791 heeft hij geprobeerd naar het buitenland te vluchten en in augustus 1792 bestormde de Parijse bevolking het paleis. Maar de Koninklijke familie wachtte dit niet af en vluchtte naar de manege van de parlementsgebouwen en de Zwitserse Garde verdedigde dit laatste bolwerk waarbij 760 soldaten de dood vonden. Lodewijk en zijn vrouw overleefden de gebeurtenissen later ook niet: ze werden immers in 1793 een kopje kleiner gemaakt.
Bron: Wikipedia

maandag 30 augustus 2010


De overval
In het voorjaar van 1944 vertrekt mijn vader Johannes Jacobus (Jan) Barthel, alias Jan de Zwart, naar het kantoor van mr Tonny Klaasse in Amsterdam om overleg te hebben met een knokploeg onder leiding van Johannes Post. Doel van de bespreking is de overval op het Distributiekantoor aan de Zijlstraat 70 te Haarlem. Mijn vader geeft toestemming en zegt mee te werken, hoewel het betekent dat zijn gezin uit de Atjehstraat 88 in Haarlem zal moeten onderduiken. De avond vóór de geplande overval wordt de familie door de LO verhuisd op aangeven van Prof Dr Ir Henk van Riessen. De echtgenote van vriend Tinus bij de Vaate over die verhuizing: “Barthel had de sleutel van het distributiekantoor gegeven. De avond voor de overval hebben mijn man en Nico Coté hem verhuisd. Over de schutting werd huisraad naar de buren (de familie Bas en Dik Spek, de latere Haarlemse wethouder, CB) gebracht. ‘Hier pak aan’, zeiden ze dan. Ze deden het ’s nachts en brachten ook spullen met een vrachtauto tot in Utrecht aan toe”. Om de schijn op te houden gaan broer Piet en zus Ina in hun nette kleren met een omweg “naar school” om daar niet meer aan te komen…
Blijkbaar worden de sleutels van het distributiekantoor dagelijks bij het politiekantoor afgegeven want na kantoortijd levert mijn vader daar een verkeerde sleutel in een verzegelde envelop af.
Als de twee overvallers – Jan Wildschut en Pierre de Bie -, die zich hebben laten insluiten om samen met mijn vader de zakken met bonnen klaar te zetten, in het distributiekantoor zijn, blijken er tevens twee schoonmaaksters en conciërge den Dekker te arriveren en één van de geschrokken dames loopt schreeuwend in de richting van de deur, die uit komt op de Nobelstraat. Daarna wordt er geschoten en agent Dekker, die in het gebouw met de bewaking belast is, neemt aan dat één van de overvallers op de wegrennende werkster, de echtgenote van den Dekker, schiet. Deze agent is dan inmiddels overmeesterd en wordt door zijn bewaker naar de kluis geleid. Deze trekt zijn schoenen, die in de kluis staan, aan en vraagt aan Dekker hoe hij het makkelijkst kan wegkomen. De agent wijst hem de Nobelstraat en Jacobijnestraat en de overvaller - het is Jan Wildschut - rent het kantoor uit, op enige afstand gevolgd door een andere agent (Bros), waarna Dekker eveneens hardlopend achter de overvaller aan gaat. Wildschut valt omdat zijn jas hem hindert, doet deze uit en richt al hurkend zijn wapen op de achtervolgende agenten, die tegen een muur in de Nobelstraat dekking zoeken. Daarna wordt de achtervolging voortgezet als de overvaller weer weg rent en bij de Gedempte Oudegracht zien ze hem weer terug, terwijl hij een burger onder bedreiging van zijn wapen de fiets afneemt. Agent Dekker gaat dan weer naar het distributiekantoor, terwijl intussen agent Bros en een derde agent Boon de vluchteling achterna gaan. Door het tumult is een oploop ontstaan voor het distributiekantoor, zeker vanwege de schoten uit het wapen van Jan Wildschut. Er zijn nogal wat getuigen, die de lezing van het verhaal onderschrijven, waaronder de vrouw van de bekende Haarlemse slager van Goor uit de Jacobijnestraat.
Intussen fietst Wildschut via de Zijlweg naar de Eerste Hasselaerstraat, achtervolgd door twee agenten op de fiets, hen vrijwillig aangeboden door passanten, en een toevallige voorbijganger, eveneens op de fiets. Deze laatste is net even voor de agenten ter plaatse en Wildschut laat zich door hem staande houden, bang voor onschuldige doden onder de omstanders mocht het tot schieten komen. Daarvoor raakt hij de trottoirband en komt met de fiets ten val, waarna hij verder rent en zijn wapen trekt. Dat wapen ketst en hij wordt overmeesterd. Zijn arrestatie en gevangenneming zal later tot de arrestatie van Johannes Post leiden en beiden worden door de Duitsers geëxecuteerd.
Het is de bedoeling geweest dat de twee ingesloten overvallers hun kameraden binnen laten, die buiten met een vrachtauto en vluchtauto’s de wacht houden. Als ze zien wat er gebeurt maken ze dat ze weg komen. Pierre de Bie, die op zijn sokken is weggerend, zijn schoenen staan nog in de kluis, wordt opgepikt door een passerende auto van de knokploegleden.
Nog op dezelfde avond wordt de opsporing verzocht van mijn vader. Uit het dagrapport: “Telexbericht verzonden ‘aan alle posten’ omtrent o.a. en v. (opsporing, aanhouding en voorgeleiding) van Johannes Jacobus Barthel, geb. te Haarlem 11-12-1903 distr.ambtenaar, wonende te Haarlem”
In 1946 heeft mijn vader in een proces-verbaal het volgende verklaard:
“Op 23 juni 1944 toen de overval op het distributiekantoor heeft plaats gehad, was ik in dienst bij de Haarlemsche distributiedienst als Kassier. Ik was voor het plegen van die overval in vertrouwen genomen door de Landelijke Knokploegen organisatie. Ik had een vergadering bijgewoond in Amsterdam, welke onder leiding stond van Johannes post, de leider van de landelijke knokploegen. Op die vergadering is aan de menschen die hebben deelgenomen en waarvan naar ik meen allen door hun illegaalwerken de dood hebben gevonden, opdracht gegeven om op uur en tijd als waarop de aanslag werd begonnen, namelijk 7 uur des avonds, van den 23 Juni 1944 het Distributiekantoor te overvallen en levensmiddelenbonnen en dergelijke mede te nemen. Wildschut die na den aanslag op het distributiekantoor is gearresteerd maakte deel uit van één der ploegen die opdrachten hadden. De opdracht werd gegeven door Johannes Post op 20 Juni 1944 tijdens de meergenoemde vergadering. Ik had de opdracht om twee personen op denzelfden dag voorafgaand aan het tijdstip van den aanslag te verbergen in de kluis van het distributiekantoor. Eén van de twee was Wildschut, de gegrepene. De opdracht was het wegnemen van alle voor de organisatie bruikbare distributiebonnen. De bonnen waren bestemd om onderduikers aan levensmiddelen te helpen. Ik heb zelf ook wel clandestien bonnen afgegeven ten behoeve van onderduikers. Die werden door mij ontvreemd van den Distributiedienst. Ook aan Bros heb ik deze ten behoeve van onderduikers wel gegeven.”
Opmerkelijk is dat mijn vader dus agent Bros, die mede Jan Wildschut naar het politiebureau heeft opgebracht, met deze verklaring rugdekking geeft. Bros baalt natuurlijk ontzettend dat hij onvrijwillig heeft deelgenomen aan de arrestatie van Wildschut en alles wat daarop volgt. Hij heeft oprecht – volgens zijn verklaring – niets geweten van de overval, immers hij heeft ziek thuis gezeten en pas na meerdere keren aandringen van zijn vrouw is hij op het tumult afgegaan. Hij verklaart onder meer dat: “… kan worden nagegaan dat ik voor dien tijd (vóór de overval, CB) al onderduikers aan distributiebescheiden hielp, die ik verkreeg door medewerking van den heer Barthel, den ambtenaar van de Distributiedienst die bij den overval betrokken was.”
Op 25 januari 1984 wordt mijn vader postuum het Verzetsherdenkingskruis uitgereikt en in mijn aanwezigheid door mijn broer Henk in ontvangst genomen.

Over de onderduikperiode is het me (nog) niet erg gelukt de activiteiten van mijn vader in kaart te brengen. Wél is er veel uit overlevering van mijn familie op te tekenen en in de toelichting op de aanvraag van Henk van Duuren voor het Verzetsherdenkingskruis staat: “Bartel (schrijffout van van Duuren, CB) dook onder in Nijkerk en werkte van daaruit illegaal o.a met M. de Jong, die na de oorlog in een massagraf werd teruggevonden”. Het lijkt erop dat het hier gaat om Marinus de Jong, een vriend van mijn ouders uit de Atjehstraat in Haarlem. Marinus is afdelingschef geweest van het Distributiekantoor in Haarlem maar moet op 8 mei 1943 onderduiken in de Alblasserwaard. In zijn toelichting op de vragenlijst meldt van Duuren dat hij in februari 1944 al contact heeft gehad met Jan Wildschut. Daarbij heeft hij een overval afgeraden “omdat het meer kapot zou maken dan goed zou doen”. De betekenis van deze zin ontgaat me.
In de onderduikperiode te Bennekom krijgt mijn vader bezoek van Marinus de Jong en zijn vrouw Treesje, die een nachtje komen logeren. Marinus wordt in augustus 1944 bij een persoonsbewijzen controle gegrepen en op 16 september om het leven gebracht. Pas later wordt zijn stoffelijk overschot gevonden. Mijn broer Piet kan zich herinneren dat hij twee persoonsbewijzen bij zich heeft gehad...
Als op 13 april 1946 Marinus de Jong wordt herbegraven is mijn vader één van de dragers.
Opgave van de bronnen zijn bij mij verkrijgbaar.

zaterdag 19 juni 2010


Mijn eerste bijdrage op dit blog gaat over de lotgevallen van een voorouder/zeeman, Nicolaas (ook wel Klaas) Storm uit Ter Heijde. Uit de Burgerlijke Stand van Historisch Archief Westland blijkt dat Nicolaas of Klaas genoemd op 15-08-1831 aan boord is gestorven "Op de baai van Hitland". In de Vlaardingse acte is te lezen dat de aangifte is gedaan door de kapitein ter koopvaardij (Arend van der Meijden), de stuurman (Jacob van der Meijden) en de kok (Arij Oversluizen). Mogelijk heeft Klaas gevaren op de "Neerlands Kroonprins", een hoeker.
In de Dordrechtsche Courant is te lezen dat de "Neerlands Kroonprins" van Bilbao in Hellevoetsluis is aangekomen, nog steeds onder commando van Arend van der Meijden. (Bron: files.archieven.nl/46/f/569.48/Dordrechtse_Courant_1842-11-15_002.pdf).
Een hoeker is een klein tot middelgroot zeevaartuig van de Middeleeuwen tot in de 19e eeuw gebruikt voor visserij en koopvaart (kustvaart). De vroegste vermelding is als heckre in een Vlaamse kroniek uit 1269, later ook als hoicbort, houkeboot, hukboit, huker, hoeckscepe enz, zo genoemd omdat het met hoekwant viste, waaruit weer de naam "hoekerbuis" ontstond. De éénmasters waren vishoekers. Het rondspant gladboordige platboomd schip had een brede boeg en achtersteven. Bekend is dat hoekers gebruikt werden als zoutvaarders op Spanje en Portugal om de Enkhuizer vissersvloot van zout te voorzien, waarbij ook wijn werd meegenomen.
Of hij aan boord is gestorven of niet, de Baai van Hitland slaat op een baai van de Shetland Islands, de toenmalige Hitlandsche eilanden dus. In het boek "Herinneringen mijner reizen" van G. van Lennep Coster, kapitein-luitenant ter zee, vertelt hij o.m. over een reis in 1827 naar de Baai van Hitland, waar op haring wordt gevist. Los van de beschrijvingen hoe het op zo'n Vlaardings visserschip toeging maakt hij toeristische uitstapjes en zo blijkt o.a. dat Hollanders daar toentertijd een vestiging hadden. Er was overigens letterlijk en figuurlijk voortdurend strijd met andere vissers uit Engeland, Schotland en Noorwegen. Misschien hebben de nationale marines zich er nog mee bemoeid. De Hollandse vissers vormden uit allerlei vissersplaatsen vloten, in dit geval bestaande uit 79 schepen. Omdat men maanden van huis was werd er van alles en nog wat meegenomen aan voeding, zelfs "Rijnschen wijn" maar dat was voor de zieken. De taak van van Lennep was onder meer erop toe te zien dat de schepen geen handel dreven en de wateren van andere landen respecteerden.